Geschiedenis

Voor reacties en informatie


Op deze pagina wordt het ontstaan van de
Nederlands Gereformeerde Kerken beschreven.


|
|

Hoe we ontstaan zijn

Nederlands Gereformeerd zijn is niet een keuze die we in een blanco situatie gemaakt hebben. Een hele geschiedenis ligt daarachter. Een geschiedenis, waarin veel zondige broedertwisten voorkomen. En tegelijk een geschiedenis, waarin we zien hoe God zijn kerk toch steeds heeft vastgehouden en beschermd. We beseffen dat er alle reden is om blij en dankbaar te zijn, want ondanks alle fouten die er in de kerkgeschiedenis zijn gemaakt, geeft God nog steeds de gelegenheid om kerk te zijn, om als gemeenteleden samen te komen en naar het Woord van God te luisteren.

In de tijd na Napoleon verkeerde de Nederlandse Hervormde Kerk niet bepaald in een bloeiperiode. Men wilde vooral rust en verdraagzaamheid. Het evangelie werd door velen versmald tot 'de weg der deugd'. 'Godsdienst en burgertrouw' was de leuze. De vrijzinnigheid kreeg daarbij vrij spel. Tot twee maal toe hebben groepen gelovigen in de vorige eeuw de Hervormde Kerk verlaten. Eerst met de Afscheiding (1834) en later met de Doleantie (1886) Deze twee afscheidingsbewegingen wilden weer terugkeren naar het serieus luisteren naar de Bijbel en het serieus nemen van de belijdenissen waarin de kerk in de geschiedenis haar geloof had beleden. De namen van Hendrik de Cock en Abraham Kuyper zijn hierom onder ons in ere. In 1892 vonden de kerken van Afscheiding en Doleantie elkaar en vormden 'de Gereformeerde Kerken in Nederland'. Uit de afgescheiden kerken die aan deze Vereniging niet meededen, zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken ontstaan.

De dertiger jaren

Dr. A. Kuyper is van grote betekenis geweest voor de gereformeerde kerken. Zijn visie op de betekenis van Gods Woord voor de samenleving bijvoorbeeld heeft voor kerk en maatschappij veel positiefs opgeleverd. Maar zijn grote denkkracht heeft ook negatieve gevolgen gehad, zeker op den duur. Het is een bekend verschijnsel, dat leerlingen uit eerbied voor hun leermeester de neiging hebben diens inzichten als het einde van alle tegenspraak te beschouwen. Dat was ook bij zo'n invloedrijk man als dr. Kuyper het geval. Zijn theologisch-wetenschappelijk werk was in de loop der jaren uitgegroeid tot een sluitend en solide systeem, waarin alles scheen te passen. Dat systeem ging steeds meer fungeren als leidraad voor het verstaan van de Bijbel, precies het omgekeerde dus van wat de eigenlijke bedoeling van de Heilige Schrift is. Ook de belijdenisgeschriften werden zo gelezen, dat zij in overeenstemming waren met de gevestigde theologie.

Daartegen rees geleidelijk aan verzet bij een deel van de nieuwe generatie predikanten. Zij trachtten in prediking en in publikaties veel meer rechtstreeks vanuit de Schrift te spreken en kwamen daardoor ook tot kritische beoordeling van bepaalde gangbaar geworden leringen. Door velen in de Gereformeerde Kerken werd dit als een nieuwe lente in het kerkelijk leven ervaren. Deze ontwikkeling, die zich tussen 1925 en 1940 afspeelde en die daarom wel de beweging van de dertiger jaren genoemd wordt, riep echter ook weerstanden op bij de verdedigers van dr. Kuypers theologie. Die werden er onzeker en verontrust van, zodat er bijvoorbeeld een brochure-reeks werd uitgegeven onder de titel 'Dreigende Deformatie'. Zo ontstonden er ook discussies in de kerkelijke pers tussen voor- en tegenstanders van de vernieuwing. Dat was op zichzelf niet zo erg, als die discussies maar op christelijke en broederlijke manier werden gevoerd, wat helaas niet altijd het geval was.

Maar wel erg werd het toen de tegenstanders van de vernieuwing hun gelijk trachtten te krijgen door middel van kerkelijke uitspraken. Men bracht in 1936 de tegenstellingen op de generale synode van Amsterdam. Die synode stelde een commissie in om 'opvattingen, die afweken van de tot nog toe gangbare leringen' te toetsen aan Schrift en Belijdenis.

De Vrijmaking van 1944

De volgende synode begon in Sneek (1939) en bleef ook na het uitbreken van de oorlog vergaderen, maar dan in geheime zittingen in Utrecht tot 1942. Toen werden vier leeruitspraken gedaan, waarvan die over het genadeverbond het bekendst geworden is. Daarin komt de stelling voor dat 'het zaad des verbonds krachtens de belofte van God te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt'. Achtergrond hiervan is, dat volgens de leer van Kuyper, Gods verbond alleen is opgericht met de uitverkorenen, dus met degenen die behouden worden. Nu is de doop het teken van het verbond. Maar als een gedoopte nu later een goddeloze blijkt te zijn? Dan kan hij dus niet wedergeboren zijn en dus niet tot het verbond behoren. En wie weet nu hoe het later zal gaan als een baby gedoopt wordt? Vandaar de gekunstelde oplossing die geciteerd werd, om het systeem kloppend te maken.

Nu zou deze uitspraak vermoedelijk niet tot een breuk geleid hebben, als de synode niet bovendien uitgesproken had, dat men bij kerkelijke examens zich ervan moest 'vergewissen, dat de kandidaten instemmen met de leeruitspraken'. Zo werd de ongelukkige uitspraak bindend voor het geweten opgelegd. En daar brak het op. De hoogleraren Schilder en Greydanus, die zich niet bij de uitspraken neerlegden, werden in 1944 geschorst en afgezet, zelfs uit hun ambt van predikant. Hun kerkenraad (in Kampen) hield deze besluiten niet 'voor vast en bondig', naar art. 31 van de kerkorde, omdat men meende, dat niet te bewijzen viel dat de leeruitspraken overeenstemmen met Gods Woord. Alle ambtsdragers van Kampen die voor dit kerkenraadsbesluit hadden gestemd, en dat was een ruime meerderheid, werden onmiddellijk door de Generale Synode, tegen alle bepalingen van de kerkorde in, geschorst. Zo ging het ook in verscheidene andere plaatsen en uiteindelijk gingen zo'n 100.000 gereformeerden daarin mee. Zo werd men 'Vrijgemaakt'. Als de andere gereformeerden 'synodaal' genoemd worden, is dat omdat die zich door de synode hadden laten binden.

De scheiding van 1969

Helaas heeft de geschiedenis zich voor een belangrijk deel herhaald. Na de Vrijmaking kwam er eerst een tijd van grote bloei waarin men, vrij van de synodale druk, enthousiast zich inzette voor de kerk. Maar al gauw kwamen er tegenstellingen. De kern daarvan was, dat velen het resultaat van de Vrijmaking meteen wilden fixeren. De winst van de Vrijmaking beschermen en zekerstellen, door een bouwwerk van theologie en kerkelijke organisaties. Wie daar bezwaar tegen had, of er zelfs maar kanttekeningen bij plaatste, was verdacht. Zo is er helaas opnieuw een scheiding gekomen tussen broeders en zusters van hetzelfde huis. Er zijn drie lijnen te tekenen, die naar deze scheiding hebben geleid.

1. De leer van de kerk. Door velen werden de belijdenis-uitspraken over de kerk (art. 27-29 NGB) zo uitgelegd, dat per conclusie de Vrijgemaakte kerk de enige ware kerk was. Vandaar dat het zeer hoog opgenomen werd, toen er binnen een kerk, die van Groningen-Zuid, over samenspreking met de 'synodale' kerk werd gedacht. Ds. Van der Ziel, die hier voor was, werd er in 1964 om geschorst. Een 'noodgemeente' werd gevormd, die een beroep om hulp deed op de zusterkerken. In een 'Open Brief' aan deze noodgemeente, gedateerd 31 oktober 1966, riepen 25 ondertekenaars de gemeente op om het kerkverband niet los te laten. Ze voegden er echter aan toe, dat ze deze hele kwestie zagen als een gevolg van het Vrijmakingsgeloof, dat is de idee dat je moet geloven dat in de Vrijmaking de Here Jezus een nieuw werk van kerkreformatie heeft verricht, waardoor wij bewaard bleven bij de éne ware kerk. Wie zo denkt, zal uiteraard niet naar herstel van de geslagen breuk willen streven.

Deze Open Brief (die geen kerkelijk stuk was, maar een brief die door kerkleden op eigen verantwoordelijkheid werd geschreven) deed enorm veel stof opwaaien, en er werden de meest onwaarschijnlijke conclusies uit getrokken. Zo concludeerde de generale synode van Amersfoort 1967 dat ds. Schoep, afgevaardigde van Noord-Holland, de Open Brief had ondertekend en dat hij dus niet oprecht was als hij instemming met de belijdenis betuigde. Hij werd heengezonden. Twee kerken uit Noord-Holland schreven de synode, dat zij ter synode nu niet meer vertegenwoordigd waren en dat ze de te nemen besluiten dus niet voor hun rekening namen. De synode zelf nam deze brief voor kennisgeving aan, maar de hoogleraar kerkrecht van de Theologische Hogeschool in Kampen ging in de kerkelijke pers uiteenzetten, dat in zulke gemeenten de ware gelovigen geroepen waren om achter de kerkenraad vandaan te gaan (zonder de daarvoor in de kerkorde afgesproken weg te volgen). Aan deze en dergelijke oproepen werd op allerlei plaatsen gehoor gegeven, en zo werd via het zgn. wegroepingskerkrecht een breuk geforceerd.

De identiteit van de Nederlands Gereformeerde Kerken is niet te verstaan zonder te weten van de pijnlijke, diep ingrijpende herinneringen die velen met zich dragen aan een tijd, waarin dominees geschorst, hele gemeenten, classes en zelfs de hele particuliere synode van Noord-Holland in één klap buiten het verband van de kerken werden gezet.

2. Confessionalisme. Zoals het kerk zijn werd dichtgemetseld binnen de muren van de vrijgemaakte kerk, zo werd gaandeweg het luisteren naar de Schrift dichtgemetseld binnen confessionalistische muren. 'Met de Bijbel kun je alle kanten uit', zo kon men op kerkelijke vergaderingen horen, 'het komt op de belijdenis aan'. Zo fungeerde de belijdenis niet langer als middel om bij de Schrift bewaard te blijven. Ze kreeg een eigen autoriteit, waarbij sommigen aan elke term en aan elk woord bijna hetzelfde gezag toekenden als aan Gods Woord.
Een voorbeeld daarvan is de manier waarop ds. B Telder, emerituspredikant van de kerk van Breda, in opspraak kwam. Hij schreef over ons voortbestaan na het sterven en had daarbij moeite met de woorden van antw.57 van de Heidelbergse Catechismus, dat 'mijn ziel na dit leven terstond tot Christus haar Hoofd opgenomen zal worden'. Hij meende dat in deze bewoordingen te sterk de gedachte mee speelde dat de mens een in zichzelf onsterfelijke ziel zou hebben. In een brief aan de kerken maakte hij overigens duidelijk dat hij hiermee niet wilde ontkennen dat er een voortbestaan is na de dood en dat van de gelovigen, ook na hun sterven, geldt dat hun leven met Christus verborgen is in God. Het kan niet ontkend worden, dat ds. Telder op dit punt van de letterlijke tekst van de belijdenis afweek. Maar bedacht moet worden, dat het ds. Telder er juist om ging, de bijbelse leer zelf weer te gaan verstaan, ontdaan van Grieks-heidense invloeden die eeuwenlang funest gewerkt hebben. Het is daarom te begrijpen dat de classis Noord-Brabant/Limburg lang aarzelde eer zij ds. Telders leer op dit punt veroordeelde. Toen zij dat uiteindelijk wel deed, echter zonder ds. Telder daarom uit zijn ambt te zetten, hielp dat niet meer. De hele classis waar Breda toe behoorde is buiten het verband van de kerken geplaatst.

3. Kerkelijke organisaties. Maar naast genoemde incidenten moet een derde lijn genoemd worden, die tot de scheiding heeft geleid. Wat boven genoemd werd is namelijk niet de reden, maar hoogstens de aanleiding tot de breuk. Op de achtergrond speelt mee, dat er al lang wantrouwen was tegen een deel van de predikanten en gemeenteleden. Namelijk tegen degenen, die onvoldoende achter de opbouw en instandhouding van een heel bouwwerk van vrijgemaakte organisaties stonden. Van die organisaties mochten alleen leden van de vrijgemaakte kerk lid zijn.

In feite heeft zich herhaald wat er in de tijd van Kuyper gebeurde. Rondom de behaalde winst in het verstaan van de Schrift werden organisaties en structuren gebouwd, die ongetwijfeld bedoeld waren om bij de Schrift te blijven. Maar die niettemin uitgaan boven hetgeen geschreven staat, en die daarom geen eenheid maar verdeeldheid brachten. Zo is het helaas gebeurd, dat de hang naar eenvormigheid sterker was dan het besef van eenheid in Christus.

Laatste wijziging dinsdag 17 september 2002.

[Deze pagina wordt gepubliceerd door de Commissie voor Contact en Samenspreking van de Nederlands Gereformeerde Kerken.]