Naar Index Landelijke Vergadering

Landelijke Vergadering NGK Doorn 1998

Brief aan G.K.V. synode

 

Datum:        21 september 1998
Onderwerp: Samenspreking
Nummer:        LV98.U52

 

Aan de roepende kerk van de Generale Synode
van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)
p/a Postbus 219
3830 AE Leusden

Zeer geachte en geliefde broeders,

Onze Landelijke Vergadering heeft zich langdurig en breedvoerig bezig gehouden met de relatie tussen de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde kerken.

Het gesprek over dit onderwerp op onze vergadering gaf aanleiding tot emotie; zozeer zelfs, dat daardoor misverstanden opgeroepen zijn. Wij willen hier graag nog eens benadrukken dat de getoonde emoties niet bedoeld waren om de beschuldigende vinger naar anderen uit te steken - als zouden slechts die anderen verantwoordelijk zijn voor de gevoelde pijn. Nee, de pijn waaraan door diverse afgevaardigden uiting werd gegeven was ten volle gezamenlijke pijn, zoals die werd en wordt ervaren aan beide kanten van de in de zestiger jaren tussen ons geslagen breuk.

Intussen staan wij nu voor de taak om een weg te vinden die ons verder brengt; die ons samen dichter bij de Here brengt, en daarmee ook dichter bij elkaar. Op vele manieren is er vanuit onze vergadering op aangedrongen dat wij alles zullen doen om de ontstane impasse in onze contacten zo mogelijk te doorbreken.

Broeders, wij willen niets liever dan dat. En tegelijk beseffen we onze onmacht om datgene te bereiken wat we zo graag zouden willen bereiken.

Deze onmacht bepaalt ons eens te meer bij onze afhankelijkheid van God. Tot Hem roepen wij het dan ook uit: kom ons te hulp; wijs ons de weg hoe we verder moeten gaan!

In onze onmacht willen wij ons voor God en mensen verootmoedigen.

Wij willen tegenover de Here en tegenover u ons tekort belijden: van onze kant is er niet altijd genoeg liefde geweest voor u; er zijn soms woorden gesproken of geschreven die ongesproken en ongeschreven hadden moeten blijven. Broeders, vergeef het ons!

Al deze dingen overwegend, en ook al het geschrevene nog eens herlezend, trof ons een passage uit het rapport van onze Commissie voor Contact en Samenspreking; het betreft een weergave van het gesprek tussen uw deputaten en onze commissie, zoals dat plaatsvond op 12 september 1994. We hebben daar o.a. dit gelezen:

"Dan de tweede vraag: "Wat verenigt ons als kerken en waarin verschillen we?"
Over de eerste helft van deze vraag werd weinig gesproken. Het gesprek ging met name over de taxatie van de gebeurtenissen in de jaren '60."

Naar aanleiding van deze passage hebben wij ons de vraag gesteld, en we leggen die hierbij ook aan u voor: zou juist op het punt van wat ons verenigt niet een nieuwe aanzet te vinden zijn voor de ontmoeting met elkaar?

Nee, we bedoelen dat geenszins in relativerende of zelfs nivellerende zin: alsof de verschillen tussen u en ons er in feite niet toe doen. Hieronder willen we ook in concreto nog ingaan op die verschillen. Echter: het signaleren van de verschillen mag er toch ook niet toe leiden, dat we zouden voorbijzien aan het vele dat we gemeen hebben. Onze beide kerken proberen toch om op de basis van Gods Woord naar de gereformeerde belijdenis kerk van Christus te zijn. Voor een buitenstaander zijn de overeenkomsten tussen ons in leer en prediking heel duidelijk. Voor de leden van onze kerken gaat steeds meer de eenheid zwaarder wegen dan het geschil. En voor het aangezicht van Christus...

Ja, dat is uiteindelijk de vraag. Wie zijn we voor het aangezicht van Christus? En zijn we in zijn ogen één of gedeeld?

Als wij proberen om naar onszelf te kijken voor het aangezicht van Christus, dan zien we eerst onze tekorten. Licht op de kandelaar, stad op een berg, pijler en fundament der waarheid? We hebben weinig werfkracht in de wereld, we raken jongeren uit ons eigen midden kwijt en er is verwarring over de koers die we moeten gaan. In dat alles is niets om trots op te zijn. Tegelijk is dat andere ook waar: we weten ons door God geroepen, veilig in Jezus' armen en geleid door zijn Heilige Geest. We geloven dat en in alle gebrokenheid ervaren we het ook. Maar juist de grote woorden zijn te groot om alleen op ons te slaan. Daarom zoeken we zichtbare en tastbare eenheid, onder meer met u. En voor het aangezicht van Christus vragen we u: ziet u niet dat we één zijn in Hem; dat we delen in het ene brood en dat deze eenheid roept om gevierd te worden aan de ene tafel?

Intussen - we schreven het hierboven al - zijn er de verschillen tussen u en ons. En verre van die te willen ontkennen of wegmoffelen, willen we daar nu ook op ingaan. Als we de verslagen van de besprekingen goed lezen, dan ging het per saldo niet over feitelijke leer-verschillen, maar over de vraag in welk geval het uiterste middel van schorsing en afzetting mag worden gebruikt. Onze Commissie heeft duidelijk gemaakt, dat onze kerken dit alleen aandurven wanneer òf het fundament in geding is òf de opbouw op dat fundament ernstig geschaad dreigt te worden. Eenvoudig gezegd: wij wegen bij verschil van inzicht. Wij onderschrijven wat de Commissie hierover te berde bracht. Wel vragen we ons af, of de Commissie het verschil met u op dit punt niet te zwaar aangezet heeft. Is het nu werkelijk waar, dat u in de praktijk van ons kerkelijk leven ons niet kunt herkennen als kerken, die met u op de basis van Gods Woord willen staan naar de Gereformeerde belijdenis? Zeker, er zullen bij ons wel eens geluiden te horen zijn, die terecht om weerwoord vragen. Maar is het bij u echt zoveel anders? En, wat belangrijk is, gaat u daar nu in de kerkelijke praktijk van vandaag echt zo anders mee om dan wij? Discussies over de relatie tussen sabbat en zondag, over vrouwelijke ambtsdragers, over het gezag van de Schrift, over het fundament van de kerk en zelfs over de uniciteit van Christus’ lijden – we komen ze bij u tegen zo goed als bij ons. Wat ons in deze discussies opvalt is, dat in uw kerkelijke praktijk van vandaag een heel ander klimaat heerst dan wat wij ons herinneren uit de tijd van de scheuring. Er komt wel weerwoord op disputabele meningen, maar dit leidt niet vanzelfsprekend tot tuchtmaatregelen. Ook kan er in alle rust worden nagedacht over openheid naar andere christenen toe in maatschappelijke verbanden. Als wij in dit licht de verslagen van de gevoerde gesprekken nog eens doorlezen, dan vinden wij, dat uw deputaten en onze commissie er nog niet in geslaagd zijn om door de wederzijdse karikaturen heen te breken. Uw deputaten spraken met ons alsof wij ruimte voor dwalingen bepleiten, terwijl dat volgens ons niet zo is. Onze commissie sprak met u alsof u bij de geringste afwijking tot schorsing wilt overgaan, terwijl wij voor onze ogen zien, dat dit niet meer zo is. In dit licht bezien lijkt ons de conclusie dat er geen ruimte is voor nader contact tussen uw en onze kerken, veel te ver te gaan. Het is in de situatie waarin kerk en wereld zich vandaag bevinden, voor God toch niet te verantwoorden als we die conclusie te vroeg trekken? Voor de eer van Christus is het schadelijk als we langs elkaar heen leven. En in de vragen waarmee we als kerken te maken krijgen, menen we elkaar nodig te hebben. Hoe reageren we op de secularisatie, hoe geven we het geloof door aan een nieuwe generatie, wat leren we van andere christenen en waarin moeten we ons van hen onderscheiden? Het zijn allemaal vragen waar we samen voor staan. Vanuit deze overwegingen willen wij een klemmend beroep op u doen om over de schaduwen van het verleden heen te stappen en onbevangen te beproeven, welke contacten met ons wèl en welke niet mogelijk zijn. Wij van onze kant beloven u dan, datzelfde te zullen proberen.

In dit verband willen wij u dan ook vragen om de ontluikende contacten, die er her en der op plaatselijk niveau zijn tussen gemeenten van beide kerkverbanden, niet te belemmeren, maar te erkennen; en ook om voor de toekomst ruimte te geven voor verder gaande en nieuwe ontwikkelingen op plaatselijk niveau.

In het verlengde daarvan willen we er ook bij u op aandringen om te komen tot een heroverweging van de door de Generale Synode van Berkel en Rodenrijs vastgestelde regeling voor plaatselijke contacten. Deze regeling maakt immers datgene wat plaatselijk kan geschieden wel erg afhankelijk van de ruimte die landelijk geboden wordt. Natuurlijk hebben we er begrip voor dat een plaatselijke kerk zich in dit opzicht niet te zeer kan verwijderen van de lijn van het kerkverband als geheel; echter: wij menen dat het goed zou zijn om de regels voor kanselruil en toelating van leden aan elkaars Avondmaal in die zin te wijzigen, dat op deze punten een grotere verantwoordelijkheid toevalt aan de plaatselijke kerken.

In het geval uw vergadering onverhoopt zou besluiten (nog) geen ruimte te zien om de landelijke gesprekken gericht op kerkelijke eenheid voort te zetten, c.q. die weer op te vatten, zouden we u willen uitnodigen tot overleg over een andere vorm van contact, niet primair gericht op landelijke eenheid, maar wel op de vraag in hoeverre we elkaar, binnen de bestaande situatie van de verschillende kerkverbanden, kunnen helpen op basis van de verbondenheid als gemeenten van Christus.

Moge de Here u zegenen bij uw beraadslagingen, met name als het gaat omde zaken die ons als ware Christgelovigen gemeenschappelijk aangaan 

Met hartelijke broedergroet,

namens de vergadering, 

A. Wattèl, preses K. Muller, scriba


Naar NGK home-page

Naar Index Landelijke Vergadering

Zie ook: Besluit over contacten met binnenlandse kerken


Deze pagina wordt gepubliceerd door het moderamen van de Landelijke Vergadering Doorn 1998
Laatst gewijzigd op 07-06-99.