Teksten   
De geschiedenis van de Nederlands Gereformeerde Kerk
Ik wil proberen aan de hand van vijf spanningsvelden de ontwikkelingen te beschrijven die hebben geleid tot de vorming van de Ned.Ger.kerken. Enerzijds wil ik proberen herkenbaarheid op te roepen maar anderzijds moet daardoor de historie geen geweld aangedaan worden.


1) Rationalisme of Pietisme.
Het eerste spanningsveld dat ik wil noemen is dat tussen rationalisme en pietisme. Rationalisme wil in dit geval zeggen dat je het geloof op nogal verstandelijke wijze benadert en pietisme dat je juist het gevoel de voorrang geeft. Al eeuwen lang zwalkt de kerk van het ene uiterste naar het andere. In de roomse kerk van rond de Reformatie had je die twee stromingen al. Bv. aan de ene kant Erasmus met een sterk rationele benadering en aan de andere kant iemand als Geert Grote, Thomas a Kempis van de zg. Moderne Devotie en zeker ook de mystici met meer aandacht voor het gevoel. Je kunt je voorstellen dat als de kerk een tijdje erg verstandelijk bezig is geweest dat dat op den duur een reactie oproept: Nu moet het gevoel weer wat aan bod komen. De Vrijgemaakte kerken waren altijd nogal rationeel bezig met geloof. Dogamtisch werd dat wel genoemd, vrij afstandelijk. In die zelfde Vrijgemaakte kerken zie je nu een sterke tegenreactie: Waar is het gevoel, waar is de ervaring? En je ziet in die kringen mensen teruggrijpen naar perioden of stromingen in de kerkgeschiedenis waarin het gevoel meer aandacht kreeg, zoals bv. de zg. Nadere Reformatie en de Puriteinen in Engeland en Amerika.
Ook in onze kerken is meer vraag ontstaan naar het pietisme. Dat uit zich vooral in de al jarenlang gaande evangelische invloeden. Voor een deel is daarin ook iets te zien van een reactie op vroegere tijden. Een voorbeeld is de plaats die L'Abri onder ons inneemt, de invloed van Francis Schaeffer. Al vroeg voor velen een verademing tussen alle dogmatiek en afstandelijkheid. Ook de contacten met de CGK hebben invloed mn. doordat vele predikanten inmiddels in Apeldoorn hebben gestudeerd. De CGK hebben vanouds een pietistische trek en dat heeft ons niet onberoerd gelaten.
Rationalisme en Pietisme. Twee polen waartussen de kerk altijd heen en weer blijft gaan, op zoek naar evenwicht. Beide polen hebben als groot nadeel trouwens dat de mens een te grote plaats inneemt. Het verstand van de mens of het gevoel van de mens. Verstand en gevoel spelen inderdaad een rol in het geloof maar eerst is er het geloof zelf. En geloof valt niet samen met verstand of met gevoel. Het is iets geheel eigens.
Dat over het eerste spanningsveld.

2) Isolement of infiltratie.
Het tweede is dat tussen isolement of infiltratie. Hoe stel je je op als christen in de maatschappij? Je kunt je isoleren, je organiseren in allerlei eigen organisaties, je terugtrekken in eigen bolwerken en vandaaruit proberen de maatschappij te bereiken. Je kunt ook kiezen voor de infiltratiemethode, dat wil zeggen dat je als eenlingen in allerlei organisaties meedoet om zo een christelijk geluid te laten horen. Overigens is dit vaker noodzaak dan een bewuste keus. En dan zijn er nog allerlei tussenvormen denkbaar.
Deze discussie heeft in ons kerkelijk verleden een belangrijke rol gespeeld. De Vrijgemaakte kerken zijn in 1944 ontstaan uit de Gereformeerde kerken. Sindsdien hebben de Vrijg. kerken veel energie gestopt in het oprichten van eigen organisaties: Een eigen krant, eigen politieke partij, eigen scholen. Daar zie je het isolement. Dit werd genoemd de doorgaande reformatie dat wil zeggen dat heel het leven in toenemende mate gereformeerd moest worden. Niet alleen de kerk maar ook de politieke partij enz. Hierbij kwam ook nog eens het zg. ethisch conflict: Wij kunnen niet samenwerken met mensen die kerkelijk onze keuze niet volgen. Wij hebben niet alleen een kerkelijk conflict maar ook een conflict op het gebied van de ethiek. Deze stroming werd steeds sterker en riep steeds meer verzet op. Vooral omdat je christen-zijn nogal eens werd afgemeten aan de mate waarin je deelnam aan die gereformeerde organisaties. Als je je kinderen niet naar een Vrijgemaakte school stuurde was je geen goed christen.
Rond 1967 escaleerde dit meningsverschil en toen ontstonden de Ned. Ger. kerken, eerst nog de Ger.kerk (vrijg.) buiten verband geheten. Je had de buitenverbanders en de binnenverbanders. Nl. degenen die buiten het kerkverband kwamen te staan, de latere Ned.Ger. en degenen die erbinnen bleven, de Vrijgemaakten. Sindsdien zijn de Ned.Ger. wars van kerkelijke organisaties, dat wil zeggen organisaties die strikt gebonden zijn aan 1 kerk. Men zocht andere organisaties op, soms met andere christenen, soms daarbuiten. Ik zal niet zeggen dat wij een typische infiltratiekerk zijn geworden. Wel bewegen wij ons met wat meer gemak in kringen die niet direct geestverwant zijn. Er is een grotere openheid naar anderen toe met natuurlijk als keerzijde ook meer beinvloeding. Kinderen die niet-christelijke scholen bezoeken of verwaterde christelijke scholen kunnen daardoor enerzijds meer weerbaar worden als christen maar ze kunnen natuurlijk ook de negatieve invloeden ondergaan.
Hoe meer een christen infiltreert in de wereld des te hogere eisen er gesteld worden aan de christelijke gemeenschap om elkaar te versterken en te bemoedigen.
Dat is het spanningsveld isolement of infiltratie.

3) Kerkelijk absolutisme of relativisme.
Het derde is dat tussen kerkelijk absolutisme en relativisme. In de Vrijgemaakte kerk ontstond de leer dat deze kerk de enig ware kerk was, dat noem ik kerkelijk absolutisme. Buiten die enig ware kerk kunnen wel ware gelovigen zijn maar die zijn geroepen zich te voegen bij de kerk die langs allerlei reformaties (Afscheiding, Doleantie, Vereniging, Vrijmaking) tot zuiverheid is gekomen.
Dit denken riep sterk verzet op. In Groningen kwam een kerkeraad in de zestiger jaren tot samensprekingen met een Gereformeerde kerk (synodaal). Dat was vanuit de ware kerk gedachte een onmogelijkheid. Je spreekt niet met een valse kerk.
En er werden maatregelen tegen deze kerkeraad getroffen. Toen kwam er uit het land steun voor deze kerk in Groningen in de zg. Open Brief. In deze brief werd gesignaleerd dat er in de Vrijgemaakte kerk een soort vrijmakingsgeloof was ontstaan.
Vrijmakingsgeloof wil dan zeggen dat men meende dat God Zijn weg in Nederland was gegaan via Afscheiding, Doleantie, Vereniging en Vrijmaking en dat alle kerken die daar buiten vielen geen echte kerken waren. De CGK waren ook niet helemaal ware kerken want zij waren immers niet meegegaan in de Vereniging van 1892. Daardoor waren zij eigenlijk scheurkerken.
In de Open Brief werd tegen dit denken gewaarschuwd. Dit gaf een enorme consternatie en uiteindelijk heeft ook dit een grote rol gespeeld in het ontstaan van onze kerken.
Met als gevolg dat wij hypergevoelig zijn voor het ware kerk denken. Zozeer dat we ook wel eens in het tegendeel belanden nl. de gedachte dat onze kerk eigenlijk niet veel voorstelt en gemakkelijk ingewisseld kan worden voor een andere kerk.
Onder ons is de gedachte vrij gewoon geworden dat het er niet toe doet tot welke kerk je behoort. Dat noem ik kerkelijk relativisme. Dat gaat ten koste van zoiets als kerkelijke trouw. Trouw zijn aan de kerk waarin je geboren bent en het niet te gauw opgeven als het je niet helemaal zint. Tegenover kerkelijke trouw staat kerkelijk shoppen met als nadeel dat je de kerk gaat idealiseren. Je gaat dan op zoek naar een kerk die volmaakt is en je ziet voorbij aan het feit dat er overal wel wat is en dat het overal niet volmaakt is.
Absolutisme en relativisme.

4) Bijbel en belijdenis.
Een ander spanningsveld is dat tussen de Bijbel en de belijdenis. Dat is vrij lastig te benoemen daarom twee voorbeelden uit ons verleden. Eerst iets over de Vrijmaking in 1944. In de eerste helft van deze eeuw waren de Gereformeerde kerken sterk beinvloed door Abraham Kuyper, een vooraanstaand theoloog, journalist en politicus. Oprichter van de VU, aanstichter van de Doleantie en voorman van de Anti Revolutionaire Partij, later opgegaan in het CDA. Deze man was sterk in het bouwen van denksystemen en dat was op den duur te merken in de kerk. Gaandeweg kwamen die denksystemen als een mal over de Bijbel te liggen. Heel de Bijbel werd gelezen met de bril van die systemen. Daar kwam reactie tegen. In de dertiger jaren vroegen mensen in de kerk weer aandacht voor het eenvoudige spreken van de Bijbel, de Bijbelse taal. Maak er geen complex systeem van maar laat de dingen staan zoals ze staan.
Een voorbeeld dat later veel strijd opleverde was het gedachtensysteem rond de veronderstelde wedergeboor te. Men was sterk gaan denken vanuit de goddelijke verkiezing in plaats vanuit het verbond. Wedergeboorte werd steeds meer geabstraheerd tot een soort goddelijk kiem die je al dan in je had. Van een kind weet je niet of het deze kiem in zich heeft. Je doopt het wel maar dat doe je alleen omdat je veronderstelt dat die kiem er is tot het tegendeel blijkt nl. als iemand ongelovig wordt. Hier overheerst het systeem met als gevolg een gevaar van automatisme en passiviteit. Daar werd tegenover gesteld het meer bijbelse spreken over een kind als opgenomen in het verbond met God. Daarom wordt het gedoopt. Van de verkiezing weten wij niets. We weten alleen van Gods welgemeende aanbod aan dat kind en de oproep om in Christus te gaan geloven.
Waar het me nu om gaat is dat daar al een zekere spanning te zien is tussen de Bijbel en de confessie of eigenlijk tussen de Bijbel en de theologie. De spanning tussen de Bijbel en menselijke uitspraken.
Een tweede voorbeeld is wat we de zaak Telder noemen. Ds Telder, een Vrijgemaakte dominee in Breda kwam in de jaren zestig met een boek dat sterk in de traditie stond van die stroming die in de dertiger jaren aandacht vroeg voor het eenvoudige Bijbelse spreken. Het boek ging over wat er na ons sterven zou gebeuren. Hij bestreed het bestaan van een zg. onsterfelijke ziel die los van het lichaam zou kunnen bestaan: Zo spreekt de Bijbel niet, dat is van de Grieken afkomstig.

Als we sterven slapen we tot aan de wederkomst van de Here Jezus en dan worden we opgewekt uit de dood om samen met Hem te leven. Daar kwam kritiek op. Mensen zeiden: zo staat dat niet in de belijdenis (mn. de catechismus) en daarom mag je dat niet zo zeggen.
Anderen zeiden: inderdaad, zo staat het niet in de belijdenis maar wat Ds Telder probeert is te luisteren naar de Bijbel en het gaat hier niet om een belangrijk punt. Ruimte dus om op ondergeschikte punten iets anders te zeggen dan de belijdenis. Die lijn ging verder in de latere Ned. Ger. kerken. Niet zozeer die van Telder als wel die houding t.o.v. de belijdenis. En nog steeds is de Vrijg. kritiek op ons dat wij de belijdenis niet serieus nemen. Ook in de contacten met de CGK speelt dat een rol. Men is bang dat het bij ons op leervrijheid zal uitlopen. Wie maakt uit wat belangrijk en minder belangrijk is? Mag iedereen uiteindelijk niet maar zeggen en leren wat hij wil en is het op den duur nog wel mogelijk elkaar aan te spreken op onbijbelse leerstellingen? Inderdaad lopen wij dat gevaar. We zijn wel eens wat te naief. De leer van de kerk, die al eeuwen oud is kan ook helpen om allerlei valkuilen op tijd te ontdekken en er niet steeds weer in te vallen.
Tot zover Bijbel en belijdenis.

5) Landelijk verband en plaatselijke kerk.
Dan nog 1 korte: de spanning tussen het landelijke kerkverband en de plaatselijke kerk. Als een synode of een landelijke vergadering zegt dat het zo en zo moet gaan in de kerk moet je dat dan altijd maar doen als plaatselijke kerk?
Welke vrijheid heb je plaatselijke, hoe ver mag die vrijheid gaan? Hoe loyaal ben je aan je kerkverband?
De Vrijgemaakte kerken zijn zelf ontstaan omdat ze het niet goed vonden dat de Synode een bepaalde leer oplegde nl. die leer van de veronderstelde wedergeboorte. Vandaar ook de naam: vrijgemaakt, nl. van de Synodebesluiten. En vandaar ook de scheldnaam voor de Gereformeerden: de Synodalen, zij die zich aan de Synode houden. Het vreemde is echter dat in de jaren zestig ook de Vrijgemaakte Synode dingen wilde opleggen aan de plaatselijke kerken. De Ned. ger. kerken voelen zich plaatselijk zeer vrij en moeten niet zoveel hebben van dwang van een kerkverband. Dat heeft voor- en nadelen. Een nadeel is dat we nogal uit elkaar groeien en elkaar ook niet meer zo goed durven aanspreken op dingen die we bij de ander echt niet goed vinden. Zo kan vrijheid ook onverschilligheid worden.
Tot zover een typering van onze kerken vanuit ons kerkelijk verleden.

Ds G.J.Zwarts